Collega's binnen en buiten de grenzen hadden profijt van zijn kennis. Tevens steunde de bemiddelde Bredius financieel - in stilte - weduwen en andere behoeftigen. Ook kunstnaars en familieleden van collega's konden op zijn ondersteuning rekenen. Behalve hulpvaardig heeft men Bredius ook grootmoedig genoemd en hij werd wel gekenschetst als een innemend man. In de tijd dat schatrijke Amerikaanse verzamelaars kunst uit Europa gingen kopen, toonde de collectioneur zich van zijn genereuze kant. Wanneer ons land belangrijke kunstvoorwerpen dreigde te verliezen probeerde hij daar hoogstpersoonlijk een stokje voor te steken. Voor diverse musea, zoals het Frans Halsmuseum, het Haags Gemeentemuseum, het Dordrechts Museum en het Westfries Museum in Hoorn, gebruikte hij zijn kennis en contacten om ze aanwinsten toe te spelen en alleen al het Rijksmuseum schonk hij 43 schilderijen uit zijn eigen verzameling. Ook restauratie van kunstwerken vond hij belangrijk. Zo betaalde hij het eerste raam dat hersteld werd bij de restauratie van de zestiende-eeuwse Goudse glazen in de Sint-Jankerk. De spontane en geestdriftige Bredius was echter ook ijdel en geneigd conflicten aan te gaan met iedereen die een andere mening was toegedaan. Hij had de gewoonte zijn grieven onmiddellijk aan de grote klok te hangen en in de pers gaf men hem doorgaans gelijk, omdat de royale verzamelaar had bewezen zich hard te maken voor het Nederlandse kunstbezit. Door enkele publicaties in De Nederlandse Spectator had Bredius al eind 1880 bekendheid verworven. Dit was voor referendaris Victor de Stuers aanleiding hem voor te dragen als onderdirecteur van het Nederlands Museum van Geschiedenis en Kunst in Den Haag. 'Potjes en pannetjes!', zei Bredius later. ' Ik had er niet langer plezier in; ik was net 25 jaar'. Maar 'zoowat acht jaar later, komt Minister Mckay me dringend vragen directuer te worden van het Mauritshuis. Ik nam aan, mits met verlof om zooveel te reizen als ik wou'. Inderdaad had de directeur van het Mauritshuis de gewoonte regelmatig buitenlandse particuliere collecties, veilingen en kunsthandels te bezoeken. Een groot deel van het dertigtal schilderijen dat hij voor het Mauritshuis verwierf, vond hij in het buitenland. In de periode 1889-1929 betaalde hij 25 werken uit eigen zak (waaonder enkele Rembrnadts waarvan de kosten het museumbudget ruimschoots te boven gingen) en gaf ze vervolgens in langdurige bruikleen aan het Mauritshuis.
Het is niet geheel duidelijk waarom Bredius in 1909 ontslag nam als directeur. Zelf noemde hij 'gezondheidsredenen', maar vermoedelijk vond hij twintig jaar in rijksdienst genoeg en wilde hij weer het leven van een alom gerespecteerd kenner en verzamelaar gaan leiden.
Na zijn vertrek uit het Mauritshuis kon Bredius naar hartelust (buitenlandse) verzamelingen bezoeken. Hij beperkte zich niet tot de Europese cultuurcentra, maar reisde ook naar Rusland, Amerika en Algerije. Tevens vervulde hij adviesfuncties in diverse commissies op kunst- en museumgebied, zoals de Staatscommissie voor het museumwezen. Op persoonlijke titel werd hij geraadpleegd over kwesties als de restauratie van Rembrandts Staalmeesters en Het joodse bruidje. Vanaf 1888 zat Bredius in het dagelijks bestuur van de Vereniging Rembrandt, die ijf jaar eerder was opgericht om bij te dragen aan het behoud van het nationale cultuurbezit. Hij maakte deel uit van het Consultative Committee van de redactie van The Burlington Magazine en was vanaf 1886 tot zijn dood redacteur van Oud Holland. In beide gezaghebbende tijdschriften publiceerde hij regelmatig. Bijna de helft van zijn leven deelde Abraham Bredius met de kunstcriticus Joseph (Joop) Otto Kronig (1887-1984).
De reden om in 1922 Nederland te verlaten en zich in Monaco te vestigen was onder andere de verhoging van de inkomstenbelasting daarnaast moest hij uitkeringen betalen aan oude getrouwen van de buskruitfabriek en schonk daarnaast uit gewoonte geld aan de armen. Zijn woonhuis aan de Prinsegracht bood hij de gemeente Den Haag te koop aan voor 100.000 gulden met als toegift het schilderij De Satyr en de Boer van Jan Steen. De aanwezige verzameling werd als Museum Bredius in bruikleen afgestaan. Tijdens zijn jaarlijkse bezoeken aan Nederland betrok Bredius een suite in het Haagse hotel De Twee Steden aan het Buitenhof, waar altijd een vleugel voor hem klaarstond. Zijn laatste bezoek aan Nederland bracht de 'grand old man' in 1939. In verband met de oorlogsdreiging werden zijn schilderijen uit Museum Bredius en het Mauritshuis toen opgeslagen in de kluis van de Nederlandsche Handel-Maatschaapij. 'Ik tob zeer over het lot mijner kostbare schilderijen', schreef Bredius zijn opvolger Willem Martin (1876-1954) in januari 1944. Opgelucht bedankte hij Martin in september 1945 voor het 'belangrijk nieuws' van de veilige terugkeer van zijn bruiklenen. Dit was de laatste brief die zijn opvolger van hem ontving.
Op 13 maart 1946 overleed Bredius te Monaco. Toen zijn testament werd geopend, bleek hij zijn bruiklenen in het Mauritshuis aan de Staat te hebben gelegateerd. Aan de gemeente Den Haag legateerde hij zijn prive-collectie. De basis van deze verzameling lag bij zijn grootvader, die al een belangrijke collectie porselein, zilver en zeventiende-eeuwse schilderijen bezat. Deze collectie had Bredius verder uitgebreid. Hij gaf er de voorkeur aan een doorsnede te laten zien van de Hollandse zeventiende-eeuwse schilderkunst, inclusief een aantal meesterwerken.
Het spreekt vanzelf dat een man van het kaliber van Bredius ook tijdens zijn leven niet aan eerbewijzen heeft ontbroken. Al in 1888 werd hem in Duitsland een eredoctoraat verleend. Naar aanleiding van de Rembrandt-herdenking in 1906 volgde de Universiteit van Amsterdam. Algemeen werd tegen hem opgekeken en in 1915 en 1925 werd hem vanuit de kunsthistorische weredl een feestbundel aangeboden. In 1933 kreeg hij een borstbeeld, dat in opdracht van de minister door Theo van Reijn 'naar het leven [was] gemodelleerd. Maar in 1935 werd Bredius het grootste plezier gedaan, toen hij, bij zijn tachtigste verjaardag, werd benoemd tot grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau. Dit was een welverdiende onderscheiding voor de man die van zeer groot belang is geweest voor de kunstgeschiedenis en de Nederlandse museumwereld.
Deze tekst is een samenvatting van de biografie door Josefine Leistra in: Marjolein de Boer, Josefine Leistra, met bijdragen van Ben Broos, Bredius, Rembrandt en het Mauritshuis!!! Een eigenzinnig directeur verzamelt, Den Haag (Mauritshuis), 1991, pp. 11-15.
