Helder, kleurloos glas. De voet is geknepen zodat een wafelpatroon is ontstaan. Het lichaam is licht uitbuigend, gemaakt van gevlochten draden, samen een maaswerk vormend. De rand is afgewerkt met een glad bewerkte smalle draad. Met twee opstaande handgrepen.
Deze manden – die in de volksmond ook wel ‘Luikse mandjes’ worden genoemd – werden in de achttiende eeuw gebruikt voor fruit desserts, zoetigheden of noten. De glasmakers van deze manden kwamen voor een groot deel uit Luik, maar het is bekend dat ze ook elders werden geproduceerd, bijvoorbeeld in Namen. Ze waren kostbaar omdat het foutloos vormen van het opengewerkte lichaam enorm arbeidsintensief was. Aan het einde van de achttiende eeuw was vooral de breedte van de mand van belang; deze wijde exemplaren waren meer in de mode dan de hoge.
Literatuur: H.E. van Gelder, Glas en Ceramiek. De Kunsten van het Vuur, Utrecht 1955, p. 39, pl. X 4; E. Schrijver, Antiek glas en kristal, Bussum 1958, pl. 18c; L. Engen, Het glas in België van de oorsprong tot heden, Luik 1989, afb. op p. 166; P.C. Ritsema van Eck & H.M. Zijlstra-Zweens, Glass in the Rijksmuseum, Zwolle 1993, pp. 193-194, met afb.
